Piepkleine krotwoningen, vieze grachten en instortingsgevaar
- Marretje Oomen
- 24 september 2026
In de negentiende eeuw kwamen veel mensen naar Amsterdam om er te gaan werken. Zij moesten allemaal ergens wonen. De woningbezetting in de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden nam flink toe, vinden we in de oude jaarboeken van het Bureau van Statistiek, de voorganger van Onderzoek en Statistiek. Daar leefden de mensen dicht op elkaar onder slechte omstandigheden. Om alle nieuwe inwoners te kunnen huisvesten werden daarnaast snel en goedkoop nieuwe wijken aan de randen van de stad uit de grond gestampt.

Toen de industriële revolutie halverwege de negentiende eeuw in Nederland op gang kwam, trokken veel mensen naar Amsterdam. Zij gingen daar onder andere aan het werk in de drukindustrie, suikerfabrieken, confectieateliers, brouwerijen en diamantindustrie. De Amsterdamse bevolking groeide door die toestroom explosief. Woonden er rond 1850 zo’n 225 duizend mensen in de stad, aan het eind van de eeuw waren dat er ruim 510 duizend.
Al die nieuwe Amsterdammers moesten ook ergens wonen. Vooral in de armere delen van de stad nam de bevolkingsdichtheid daarom hard toe. Veel nieuwkomers vestigden zich op de Oostelijke Eilanden en in de Jordaan.
In de oude jaarboeken van het Bureau voor Statistiek, de voorganger van Onderzoek en Statistiek, vinden we cijfers over het gemiddeld aantal mensen per woonhuis. Een woonhuis kon opgedeeld zijn in verschillende appartementen of kamers. In Amsterdam nam het gemiddeld aantal bewoners per woonhuis toe van 10,3 in 1859 tot 13,2 in 1899. Omdat in 1859 bijvoorbeeld ook kostscholen, gevangenissen en ziekenhuizen nog werden meegerekend als woonhuizen en in 1899 niet meer is de werkelijke toename nog groter.
Juist in de oude arbeiderswijken woonden steeds meer mensen in één huis: op de Oostelijke Eilanden bijvoorbeeld van gemiddeld 14,1 per woonhuis in 1859 tot 18,8 in 1899. Ook in de buurten in de Jordaan steeg dit gemiddelde aantal met zo’n twee tot vier bewoners.
Veel woningen bestonden slechts uit één kamer of twee kamers. Ook gezinnen woonden vaak met alle gezinsleden in een- of tweekamerwoningen. In het jaarboek van 1899 vinden we dat in de Jordaan in de helft van de onderzochte eenkamerwoningen drie of meer mensen woonden. Op sommige andere plekken lag dat aandeel nog hoger; zo ging het in de Joden Houttuinen zelfs om 70 procent.
De omstandigheden waren erbarmelijk. In de kleine eenkamerwoningen werd ook gekookt, gewassen en gewerkt. Veel mensen woonden in kelders. Bovendien waren de panden flink in verval geraakt. In die eeuwenoude krotten was geen schoon water en geen riolering. Mensen wasten en kookten met water uit de grachten. Maar omdat daar ook uitwerpselen en afvalwater in werd geloosd, braken vaak cholera en andere infectieziekten uit.
De woningen van de arme arbeiders stonden in schril contrast met de huizen van de rijke Amsterdammers. Zij woonden in de chique zeventiende-eeuwse grachtenpanden. In tegenstelling tot in de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden nam in de grachtengordelwijken het aantal bewoners per woonhuis eerder af dan toe in de loop van de negentiende eeuw. Rijke mensen trokken vaak weg van de stinkende grachten. Ze gingen wonen in andere chique buurten, zoals de nieuwe Vondelparkbuurt of de Plantage.
Nieuwe wijken
De armere bevolking groeide zo hard dat er ook buiten de zeventiende-eeuwse stad werd gebouwd. Er ontstond een nieuwe ring om de stad heen die we tegenwoordig kennen als de negentiende-eeuwse ring, met naast de eerdergenoemde Vondelparkbuurt ook wijken als de Pijp, de Kinkerbuurt en de Dapperbuurt. In de jaarboeken zien we dat het aantal bewoners hard toenam in die nieuwe gebieden.
Aannemers stampten in razend tempo nieuwe woningen uit de grond. Anders dan voorheen deden zij dit niet in opdracht. Vaak bouwden zij zelf met geld van hypotheekverstrekkers in de verwachting dat ze de woningen daarna zouden kunnen verhuren of verkopen. Deze gebouwen worden daarom revolutie- of speculatiebouw genoemd.
Maar de bouwkwaliteit van deze nieuwe woningen was slecht. De aannemers bouwden zo snel en goedkoop mogelijk. Regelmatig stonden berichten zoals dit in het Nieuwsblad van het Noorden in 1894 in de krant:
Aan de 2de Parkstraat bij de Vrolikstraat, te Amsterdam, zijn twee in aanbouw zijnde huizen ingestort. De bouw was nog slechts gevorderd tot de tweede verdieping, welke met de eerste geheel instortte benevens den steiger en een gedeelte van het benedenhuis. […] De bouw geschiedde voor rekening van een paar speculatiebouwers.
Betere leefomstandigheden
Halverwege de negentiende eeuw kwam ook het besef dat dat er iets moest gebeuren om een einde te maken aan de slechte leefomstandigheden. De Amsterdammers kwamen zelf met verschillende initiatieven.
Zo richtten rijke inwoners verschillende bouwmaatschappijen en -verenigingen op die moesten gaan zorgen voor betere woningen. Deze welgestelde Amsterdammers deden dat niet alleen omdat ze goed wilden doen voor hun armere stadsgenoten, maar ook omdat dat leidde tot gezondere en dus productievere arbeiders. Bovendien waren de uitbraken van infectieziekten in de arme wijken voor rijke inwoners net zo gevaarlijk.
Bekende welgestelde Amsterdammers zetten zich in voor het verbeteren van de hygiënische omstandigheden. Samuel Sarphati, arts en ondernemer, riep bijvoorbeeld een ophaaldienst in het leven voor afval en de uitwerpselen van mensen, zodat die niet meer in de grachten werden gedumpt. Ook zorgde Jacob van Lennep, schrijver en politicus, voor de aanleg van de eerste waterleiding. Steeds meer huizen werden aangesloten op het waternet en men begon met de aanleg van riolering.
In het jaarboek van 1899 staat dat de Gemeentelijke Gezondheidsdienst onderzocht hoe het stond met de hygiënische voorzieningen in sommige Amsterdamse wijken. Van de onderzochte Jordanese woningen had bijna een op de vijf toen nog geen waterleiding en nog eens 15 procent moest de kraan delen met andere woningen. Er waren maar weinig woningen met een aansluiting op het riool. Uitwerpselen werden vaak nog opgehaald door de ‘Boldootwagen’ of gingen in beerkuilen.
Aan de erbarmelijke omstandigheden kwam pas echt een eind door de Woningwet van 1901. Deze historische wet stelde voorwaarden aan de kwaliteit van de bouw en het onderhoud van woningen. Krotten konden onbewoonbaar verklaard worden en de overheid ging investeren in van de bouw van voldoende goede woningen. Dit opende ook de deuren voor de massale bouw van sociale huurwoningen, waardoor Amsterdam in de decennia daarna ‘het mekka van de volkshuisvesting’ kon worden.